Geplaatst op: 4 juni 2020

‘De doden krijgen geen gezicht. Het is een numerieke aangelegenheid geworden’

Jan Wietsma is één van de leden van onze Raad van Toezicht. Hij kreeg begin dit jaar te maken met Corona en schreef daar onderstaande blog over.

Een prikbord vol met tekeningen en foto’s van kinderen. Teksten vol hoop: ‘Beterschap’, ‘Kom snel weer thuis’. Dat was het eerste wat opviel toen mijn bed werd geparkeerd in de zaal. Daarna sukkelde ik weer in slaap, ziek als ik was.

Veertien dagen daarvoor had ik tijdens het avondeten nog stoer verkondigd aan mijn vrouw dat we ons niet zo gek moesten laten maken door het coronavirus. Dat we rustig op wintersport konden gaan. We doen toch nooit mee aan de après-ski. Als je voorzichtig bent, is er niets aan de hand. Dezelfde avond belde de appartementeigenaar dat hij onze vakantie moest annuleren omdat het skigebied gesloten zou worden.

En nu had ik extra zuurstof nodig om te overleven. Hoogmoed komt voor de val. De volgende dag maakte ik een praatje met mijn overbuurman. Hij was eind zestig, altijd actief geweest, deed nog vrijwilligerswerk en hoopte dat hij nog een paar jaar meekon – gek als hij was op zijn kleinkinderen. Maar hij twijfelde ook: iedere dag moest de zuurstofkraan iets verder worden opengedraaid. Straks kwam hij op de intensive care en dan?

‘Al die lege prikborden in het ziekenhuis zijn een teken aan de wand.’

Ondertussen stond zijn telefoon niet stil. Zijn vrouw, kinderen en kleinkinderen, allemaal wilden ze weten hoe het ging. Ze spraken opbeurende woorden, smeekten om de moed niet op te geven. Doorzetten!

Dertig seconden

Een dag later. De telefoon gaat weer. Hij neemt op: zijn vrouw. Dertig seconden en hij legt weer neer.

Tijdens het avondeten wissel ik nog een paar woorden met hem. Als hij mij ziet eten, zegt hij: ‘Een bakje fruit is lekker fris.’

Ik hoor een snik. Een alarm gaat af. Personen in isolatiepakken met mondkapjes en veiligheidsbrillen rennen naar het bed. Er wordt diverse malen dezelfde naam geroepen. Het gordijn om het bed wordt dichtgetrokken. Nog meer alarmen gaan af en het aantal voetstappen neemt toe. Het gordijn om mijn bed wordt weer opengetrokken. Samen met mijn andere drie zaalgenoten worden we in ons bed naar een andere zaal gereden.

Als de verpleegkundigen van de avonddienst ons anderhalve uur later terugrijden naar onze eigen zaal, valt de lege plek meteen op. ‘Zou hij het gered hebben?’, vraag ik aan mijn buurvrouw. Dan valt mijn oog op het lege prikbord.

Even later bevestigen de verpleegkundigen dat onze zaalgenoot is overleden. ’s Avonds en ’s nachts nemen ze alle tijd om naar mij en twee medezaalgenoten te luisteren; ze leggen een hand op onze arm om de angst en ongerustheid die we voelen weg te nemen.

Een paar weken later – ik ben inmiddels weer thuis – valt mij op dat de berichtgeving over de RIVM-statistieken steeds meer het karakter krijgt van het voorlezen van de dagelijkse beurskoersen. De doden hebben geen gezicht meer. Het is een numerieke aangelegenheid geworden.

En dat heeft zijn weerslag op de samenleving. Coronapatiënten worden geassocieerd met dor hout: het zijn economische profiteurs. Zo worden ze door opiniemakers beetje bij beetje van hun menselijkheid ontdaan.

Ook in christelijke kring begint corona en alles wat daarmee samenhangt, weerstand op te roepen. Gezondheid is volgens de schrijver van een opinieartikel verworden tot afgodendienst; een andere van tv bekende journalist schrijft een opinieartikel waarin hij het van de zotte vindt dat de kerken niet protesteren tegen veiligheidsmaatregelen – hoogste tijd voor een lobbyist.

Geliefd door velen

Maar iedere corona-overledene was een mens. Geliefd door vele andere mensen: partners, kinderen, kleinkinderen, vrienden, kennissen, leden van de huiskring, collega’s en vele anderen. Deze geliefden die geen afscheid hebben kunnen nemen, een enkel telefoongesprek van dertig seconden daargelaten. Ik besef dat zaalgenoten en verpleegkundigen in veel gevallen de laatste gesprekken hebben gevoerd met degene die aan de gevolgen van het coronavirus is overleden.

Om iedere coronapatiënt heen stond ook een team van artsen en verpleegkundigen die dag en nacht beschikbaar waren. Want iedere patiënt is een mens, die mag rekenen op adequate zorg en aandacht. Deze mensen werkten over en waren bereid alle ongemakken die het werken in beschermende kleding meebracht, voor lief te nemen. Dat zij zich afvragen of alle moeite straks voor niets is geweest, als Nederlanders vinden dat het ondertussen wel meer mooi genoeg is geweest, kan ik mij goed voorstellen.

Maar het coronavirus heeft hier geen boodschap aan. Onvoorzichtigheid, ongeduld – het is de brandstof voor het virus dat uiteindelijk mensen de zuurstof ontneemt. De ruim vijfduizend lege prikborden van de afgelopen twee maanden zijn hiervan een teken aan de wand.

Gerelateerde items

Vaccinatie risicopatiënten in huisartsenpaktijk halveert kans op ziekenhuisopnamen

Een nieuw algoritme stelt huisartsenpraktijken in staat het risico te berekenen dat patië... Lees meer

Goed gevoed: Project ondervoeding bij ouderen Zwolle

Ondervoeding is onder (thuiswonende) ouderen een veelvoorkomend probleem met grote gevolg... Lees meer

Oproep GGD NOG aan eerstelijnszorgverleners: extra handen hard nodig!

De rek is eruit en de zorgverlening aan patiënten die opgevangen worden in de zorghotels ... Lees meer